Over NGIR
 
Wat doet het Nederlands Genootschap voor Interventie Radiologie

Het Nederlands genootschap voor Interventieradiologie is een sectie van de Nederlandse vereniging voor Radiologie, een heeft als taak het behartigen van de belangen van de interventieradiologie in de ruimste zin van het woord. Het NGIR houdt zich bezig met bij- en nascholing van radiologen, adviseert over opleiding en accreditatie. 

Het NGIR maakt in overleg met andere beroepsgroepen richtlijnen voor behandelingen ( bijvoorbeeld richtlijn behandeling perifeer vaatlijden) en vertegenwoordigd de vereniging voor radiologie bij andere verenigingen zoals bijvoorbeeld de Nederlandse vereniging voor Vasculaire geneeskunde en de Vereniging van Vaatpatienten. 

Het NGIR doet aan patiënten voorlichting en wil via publicaties en media contacten nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de minimaal invasieve behandeling onder de aandacht van een groter publiek brengen. 

Tevens onderhoud de NGIR de internationale contacten, oa met de Europese vereniging voor Interventieradiologie (www.cirse.org)

 
Geschiedenis van de interventie radiologie in Nederland

De geschiedenis van de vasculaire interventies in begint 1964 met de bekende publicatie van Dotter en Judkins in het tijdschrift Circulation. Hierin beschrijven zij een techniek van verwijding van een vaatvernauwing, door middel van een katheter systeem. Een techniek die aan de basis staat van de moderne endovasculaire behandelings technieken. De radioloog die in Nederland als eerste deze techniek een bredere introductie heeft gegeven is zonder twijfel Van Andel uit het Diaconessenhuis in Eindhoven . Hij promoveerde in 1976 in Utrecht op het proefschrift: Percutaneous transluminal angioplasty: The Dotter-procedure. Toch moet voor de geschiedenis vermeld dat de aller eerste Dotter procedures in Nederland in 1971 gedaan zijn in Nijmegen door Peeters. Het artikel dat hij hierover schreef werd echter geweigerd door het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Derhalve verscheen de eerste publicatie over de Nederlandse ervaring met deze nieuwe techniek in Radiologia Clinica et Biologica, in 1972. Peeters heeft zich, na eerste ervaringen, niet verder meer met dit onderwerp bezig gehouden, maar is verder gegaan in de neuroradiologie en werd later hoogleraar neuroradiologie aan de UVA. Van Andel heeft ook actief aan de ontwikkeling van de techniek van de procedure een belangrijke bijdrage geleverd. De van Andel-katheter was (is) tot ver over onze landsgrenzen bekend. Ook het merkwaardige fenomeen dat wij in Nederland, als enigen in de hele wereld, spreken van dotteren, hebben wij hoogst waarschijnlijk aan van Andel te danken. 

De techniek van het dotteren nam internationaal een verdere vlucht nadat in 1974, Andreas Gruntzig, een Zwitserse cardioloog, de ballon katheter had uitgevonden. Belangrijk was dat het nu mogelijk werd ook coronair en nier arterie vernauwingen te behandelen. In mei 1978 werd in het Academisch Ziekenhuis Utrecht voor het eerst door Puijlaert in Nederland een ballon dilatatie van een nier arterie verricht. Het betrof een 55-jarige man met ernstige hypertensie en een vernauwing van de rechter nierslagader. Markant is overigens dat de patiënt zelf voor deze behandeling had gekozen nadat hij deze op de televisie had gezien. ( ook toen al werd nieuwe medische technologie al gepropageerd via de televisie). De ingreep verliep zeer succesvol en patiënt kon zijn medicatie staken, waarbij ook nog in het artikel vermeld werd dat het feit dat patiënt niet meer impotent was, door de patiënt zeer werd gewaardeerd. 

In augustus 1978 kwamen op uitnodiging van Gruntzig een aantal onderzoekers, waaronder Puijlaert, bijeen om de eerste resultaten te bespreken. In 1980 publiceerde de groep uit Utrecht de resultaten van de eerste 32 nierarterie dotter behandelingen in het Nederlands tijdschrift voor Geneeskunde. Hun conclusie was dat de resultaten niet onder deden voor de resultaten van de chirurgische behandeling. Dit laatste is opvallender wijs tot op heden niet echt veranderd. Het is interessant te zien hoe deze nieuwe techniek nog met een zekere negentiende eeuwse dokters mystiek omgeven was. In het artikel van Puijlaert uit 1980 lezen wij ;" Bij een onwillige stenose proberen wij eerst een eenvoudige Cobra, eventueel met enkele kunstgrepen zoals bepaalde catheterbewegingen en diep ademhalen van de patiënt, dit alles met de uiterste behoedzaamheid." Utrecht was begin jaren tachtig toch wel de plaats waar het allemaal gebeurde, en het waren dan ook voornamelijk de assistenten uit Utrecht die deze nieuwe techniek als eerste verder in Nederland verspreiden. Toch waren er op andere plaatsen in Nederland, los van Utrecht ook nog initiatieven op het gebied van de percutane vasculaire therapie. 

In het Wilhelmina ziekenhuis in Amsterdam, behorende bij de universiteit van Amsterdam, deed Marsman onderzoek naar de techniek van de vena spermatica embolisatie, hetgeen resulteerde in een aantal artikelen en een promotie in 1983 over dit onderwerp. Zijn naam is in Nederland lange tijd met deze techniek verbonden geweest, hoewel vrijwel gelijkertijd Mali in Utrecht (1984) op hetzelfde onderwerp promoveerde. In Dordrecht verrichte Zijlstra pionierswerk op het gebied van de behandeling van vernauwingen in dialyse shunts. 

Midden jaren tachtig kwam het vak van vasculaire interventie radiologie in een stroom versnelling terecht. De introductie van een nieuwe techniek, de laser-angioplastiek, leek een nieuwe wereld te openen. Het leek nu mogelijk om ook langere vaatafsluitingen in het bovenbeen succesvol te behandelen. In Nederland vervulde met name het Anthonius ziekenhuis in Nieuwegein, op het gebied van de laser angioplastiek, onder aanvoering van De Valois, een voortrekkersrol. Dit resulteerde tenslotte in een proefschrift door een van de assistenten ( Odink 1994). Dit proefschrift verscheen echter op het moment dat internationaal al duidelijk was geworden dat deze techniek weliswaar lange afsluitingen open kreeg, maar helaas niet langer open hield dan een eenvoudige ballon dilatatie. 

Vanaf dat moment, zo eind jaren tachtig, bleek namelijk dat de halfwaarde tijd van nieuwe percuatane interventie technieken, mede onder invloed van de vaak te snelle introductie door de industrie, alleen maar korter werd. Voor dat iets goed en wel uitgezocht was bleek het al weer verouderd. Pas recent valt, mede door de strengere Europese regelgeving, hierin een kentering te bespeuren. Een andere belangrijke ontwikkeling in midden van deze woelige jaren tachtig was de opkomst van de percutane atherectomie. In Nederland is met name in het Catharina ziekenhuis in Eindhoven belangrijk onderzoek naar deze techniek verrich. Vroegindewij, toen nog assistent, heeft een aantal belangrijke internationale publicaties over atherectomie op zijn naam staan, die aangetoond hebben dat ook deze hightech techniek geen voordelen biedt boven een eenvoudige ballon dilatatie. Belangrijk is ook om hier te vermelden dat met deze studie, die resulteerde in een proefschrift(1995) voor het eerst in de interventie- radiologie in Nederland de methodiek van prospectief gerandomiseerd onderzoek werd geintroduceerd. 

Aan de introduktie van de stent, eind jaren tachtig, heeft Nederland weinig bijgedragen, echter de enige prospectief gerandomiseerde studie over iliacale stenting ter wereld, komt wel uit Nederland. De Dutch Iliac Stent Trial, uit Utrecht onder leiding van Mali en met een publicatie in de Lancet en een proefschrift door Tetteroo in 1997. Verder valt nog te vermelden dat Nederland, in de jaren negentig, ook op andere gebieden van de vasculaire radiologie aan de bron van een aantal nieuwe ontwikkelingen heeft gestaan. Mechanische thrombectomie en met name de Hydrolyser catheter werd door Reekers in Nederland, in samenwerking met de, toen nog Nederlandse, firma Cordis ontwikkeld. Bij de percutane behandeling van het aneurysma abdominalis speelde Utrecht ( Eikelboom, chirurg) internationaal een belangrijke rol. Dit alles heeft ertoe geleid dat Nederland op het gebied van de interventie radiologie internationaal een uitstekende naam heeft.